Geen ander land ter wereld staat er technologisch gezien zo goed voor als Nederland. Maar we benutten de mogelijkheden niet genoeg en gaan daardoor te langzaam vooruit. Bedrijven moeten sociaal gaan innoveren.
Dat stelt de Erasmus Universiteit Rotterdam naar aanleiding van een nieuw rapport van het World Economic Forum (WEF), waaraan de universiteit heeft bijgedragen.
Het rapport inventariseert de concurrentieposities van tientallen landen op basis van factoren als infrastuctuur, technologische geavanceerdheid, innovatie en onderwijs. Nederland heeft een prima algemene concurrentiepositie, wereldwijd staan we op de achtste plaats. De Verenigde Staten voert vooralsnog de lijst aan, al gaat het land mogelijk wankelen vanwege de kredietcrisis.
Te weinig kenniswerkers
Nederland is anderzijds heel sterk in kennis- en technologieontwikkeling. Met technologische geavanceerdheid staan we zelfs wereldwijd op de eerste plaats. Dat is met name te danken aan de hoge penetratie van pc's, internet, mobiele telefonie, breedbandtechnologie en de beschikbaarheid van de nieuwste technologieën.
Helaas zetten Nederlandse bedrijven dit nog niet genoeg om in nieuwe producten en diensten. Een belangrijke oorzaak is het gebrek aan goed opgeleide kenniswerkers. Nederland heeft deze mensen juist hard nodig, omdat het internationaal moet concurreren op toegevoegde waarde.
Slimmer werken
Het is vooral belangrijk dat Nederland "sociaal gaat innoveren", stelt de universiteit. Denk dan bijvoorbeeld aan flexibel organiseren of slimmer werken met behulp van technologie. Daardoor gaan technologische innovaties meer opleveren en zullen Nederlandse bedrijven er logischerwijs ook meer mee doen.
Zwitserland, Denemarken, Zweden en Finland laten volgens de Rotterdamse universiteit zien hoe het wél moet. Deze landen excelleren in hoger onderwijs en hebben "een ondubbelzinnige focus op innovatie". Die kwaliteiten zijn de motoren van een betere concurrentiepositie. Stilstand daarentegen is achteruitgang.